Gestoorde nuchtere glucosewaarden

De preventieve behandeling bij ‘gestoorde nuchtere glucosewaarden’ is gericht op een daling of gelijk blijven van de nuchtere bloedglucosewaarden ten einde het ontstaan van Diabetes Mellitus type 2 te voorkomen of op zijn minst uit te stellen. Dit wordt bereikt door het nastreven van gewichtsbehoud en het bewerkstelligen van voldoende lichamelijke activiteit bij mensen met een gezond gewicht. Indien sprake is van een BMI ≥ 25 is het streven het bereiken van gewichtsverlies en gewichtsbehoud op lange termijn (>1 jaar).

Succescriteria

De behandeling heeft succes als een daling of op zijn minst gelijk blijven van de nuchtere bloedglucosewaarden binnen een jaar wordt gerealiseerd en zo lang mogelijk gehandhaafd blijft. Hiervoor is het nodig dat cliënten met een gezond gewicht (BMI≥ 18,5 en < 25) hun gewicht behouden en voldoen aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB). Bij behandeling bij een BMI ≥ 25 is het, naast duurzame en positieve verbetering van de lichamelijke activiteit ook nodig een gewichtsafname van ≥5-≥10% na 1 jaar behandeling na te streven en te handhaven in de  daarop volgende onderhoudsfase. (NDF, 2010b)(Gezondheidsraad, 2003) (PON, 2010).

Tabel 2 Soort Indicator Haalbare indicatoren voor ‘gestoorde nuchtere glucosewaarden’ Toelichting
Zorg-inhoudelijke indicatoren Proces Indicator 3: % cliënten met ‘gestoorde nuchtere glucosewaarden’ bij wie de nuchtere bloedglucose is bepaald in het laboratorium in de afgelopen 12 maanden Deze procesindicator geeft aan of bij de cliënt met ‘gestoorde nuchtere glucosewaarden’ conform het addendum jaarlijks de nuchtere bloedglucose wordt gecontroleerd.
Uitkomst Indicator 4: % cliënten met ‘gestoorde nuchtere glucosewaarden’ met een nuchtere glucose gelijk aan of lager dan 6,9 mmol (veneus plasma)  of gelijk aan of lager dan 6,0 mmol/l (capillair volbloed) 

 

Deze uitkomstindicator richt zich op de cliënten met de diagnose ‘gestoorde nuchtere glucosewaarden’, die jaarlijks worden gecontroleerd en waarvan je na een jaar wilt weten of de behandeling succes heeft. De preventieve behandeling heeft succes als de verhoogde nuchtere bloedglucose daalt of gelijk aan of lager is dan 6,9 mmol/l (veneus plasma) of 6,0 mmol (capillair volbloed).(Er ontwikkelt zich geen DM2).
Leefstijl Proces Indicator 5:% cliënten met ‘gestoorde nuchtere glucosewaarden’ bij wie de Body Mass Index berekend (bekend) is.
Uitkomst Indicator 6:% cliënten met ‘gestoorde nuchtere glucosewaarden’ met een gezond gewicht (BMI ≥ 18,5 en <25) in de afgelopen 12 maanden. Deze uitkomstindicator voor cliënten met een BMI ≥ 18,5 en < 25 is opgenomen in verband met het belang van behoud van een gezond gewicht om DM2 te voorkomen. Dit is de groep die volgens  ‘NDF addendum Geïndiceerde Preventie’ wordt behandeld en waarbij niet verwezen wordt naar de Obesitas standaard. (BMI ≥25). Voor deze doelgroep ontwikkelt PON de indicatoren.
Tabel 3 Soort Indicator Wenselijke indicatoren voor ‘gestoorde nuchtere glucosewaarden’ Toelichting
Proces Indicator 7: % cliënten bij wie in het jaar van de diagnosestelling ‘gestoorde nuchtere glucosewaarden’ de mate van bewegen is vastgesteld. Deze twee indicatoren geven aan of bij het vaststellen van de ‘gestoorde nuchtere glucosewaarden’ bij de start van de preventieve behandeling aandacht is besteed aan bewegen en voeding met als doel om de juiste interventies / programma op gebied van leefstijl in te kunnen zetten. 

De zorgmodules Voeding en Bewegen zijn van toepassing bij de behandeling van ‘gestoorde nuchtere glucosewaarden’. In afwachting van de inhoudelijke uitwerking van deze modules zijn hier vooralsnog geen uitkomst-indicatoren opgenomen.

Proces Indicator 8: % cliënten bij wie in het jaar van diagnosestelling ‘gestoorde nuchtere glucosewaarden’ voedingszorg is gestart op het juiste niveau volgens de zorgmodule voeding1

 

Organisatie Proces / structuur Indicator 9: % cliënten met ‘gestoorde nuchtere glucosewaarden’ waarbij gewerkt wordt met een individueel zorgplan / behandelplan waarin behandeldoelen zijn opgenomen met betrekking tot de mate van  bewegen. In hoeverre ontvangen cliënten met ‘gestoorde nuchtere glucosewaarden’ een individueel aangepaste preventieve behandeling zoals beschreven in het addendum? 
Proces / structuur Indicator 10: % cliënten met ‘gestoorde nuchtere glucosewaarden’ waarbij gewerkt wordt met een individueel zorgplan / behandelplan waarin behandeldoelen zijn opgenomen met betrekking tot voeding.
Structuur Indicator 11: Mate waarin de multidisciplinaire groep professionals voldoet aan de kwaliteitseisen wat betreft de organisatie van de geïndiceerde preventie. In hoeverre is de zorg georganiseerd zoals beschreven in het addendum.

Op de volgende pagina’s wordt elke indicator voor de Geïndiceerde preventie apart uitgewerkt in het format van de NDF / ZiZo voor uitwerking van indicatoren. Hyperlinken toevoegen aan bovenstaande tabellen

Voeg toe aan printlijst
Voetnoot 1

Wanneer de toekomstige zorgmodule voeding definitief wordt ingevoegd , dient de formulering van deze wenselijke indicator nogmaals kritisch te worden bekeken.