Vormen van diabetes

Diabetes type 1
Diabetes type 2
Zwangerschapsdiabetes
Monogenetische diabetes
Secundaire diabetes

Diabetes, in de volksmond suikerziekte genoemd, is een stofwisselingsziekte waarbij de glucoseregulatie is verstoord. Er bestaan twee hoofdvarianten van de aandoening: diabetes type 1 en type 2. Daarnaast komen een aantal andere vormen voor, zoals secundaire diabetes (veroorzaakt door medicatie of operatie), MODY en zwangerschapsdiabetes. Er bestaat (nog) geen genezing voor diabetes en de ziekte kan gepaard gaan met ernstige complicaties. Meer informatie is tevens te vinden op de website van het Diabetes Fonds.

Diabetes type 1

Diabetes type 1 is een auto-immuunziekte waarbij de bètacellen van de eilandjes van Langerhans in de pancreas grotendeels zijn vernietigd. Daardoor ontstaat een tekort van het hormoon insuline. Diabetes type 1 wordt vaak op jonge leeftijd vastgesteld: vooral voor het dertigste levensjaar. LADA (latent auto-immune diabetes in adults) is een zich traag manifesterende diabetes type 1 die zich vermomt als diabetes type 2, doordat hij heel geleidelijk begint. De grootste groep mensen met diabetes type 1 behelst mensen waarbij de diabetes op de kinderleeftijd is ontstaan. Diabetes type 1 betreft circa tien procent van het totale aantal mensen met diabetes.

Diabetes type 2

Dit type diabetes, in het verleden ook wel ouderdomsdiabetes genoemd, is een chronisch progressieve stofwisselingsziekte waarbij de glucoseregulatie ontregeld is doordat er onvoldoende insuline wordt geproduceerd of doordat de insuline door insulineresistentie onvoldoiende effect heeft. Overgewicht en onvoldoende lichaamsbeweging spelen, naast genetische aanleg en ouderdom, een belangrijke rol in het tekortschieten van de insulineproductie en het ontstaan van diabetes type 2. De huidige Westerse leefwijze heeft een enorme toename van het aantal mensen met diabetes veroorzaakt alsmede een steeds lagere leeftijd waarop de aandoening wordt vastgesteld. De naam ouderdomsdiabetes is daarmee niet meer adequaat.

Zwangerschapsdiabetes

Zwangerschapsdiabetes (diabetes gravidarum, gestational diabetes mellitus of GDM) is elke vorm van hyperglykemie die tijdens de zwangerschap wordt ontdekt, onafhankelijk van het feit of deze afwijking na de zwangerschap weer verdwijnt. Zwangerschappen gecompliceerd door GDM worden gekenmerkt door een hogere kans op maternale en perinatale complicaties, zoals macrosomie, schouderdystocie (neonatale fracturen of plexusletsel), neonatale hypoglykemie en neonatale hyperbilirubinemie. Tevens ontwikkelt minimaal 50 procent van de vrouwen met een doorgemaakte GDM binnen vijf tot tien jaar na de bevalling diabetes type 2.

Monogenetische diabetes

Monogenetische vormen van diabetes kunnen onderverdeeld worden in o.a. neonatale diabetes, syndromale diabetes of Maturity Onset Diabetes of the Young (MODY). De meerderheid van deze patiënten wordt ten onrechte gediagnostiseerd als diabetes type 1 of type 2.

Indien:

  • de diabetes ontstaat voor de leeftijd van zes maanden
  • de diabetes in de familie voorkomt bij minstens twee aangedane familieleden in twee generaties
  • de diabetes zich presenteert met alleen een verhoogde nuchtere bloedsuiker (5.5 – 8.5 mmol/L)
  • de diabetes bij kinderen gepaard gaat met doofheid, blindheid, albuminurie en andere afwijkingen buiten de pancreas
  • er sprake is van psychomotorische retardatie of een exocriene pancreasinsufficiëntie

dient er gedacht te worden aan een monogenetische oorzaak van diabetes en dient er gerichte DNA diagnostiek ingezet te worden1. Van de monogenetische vormen van diabetes komt MODY het meest voor. Bij bewezen MODY kan de therapie meestal worden aangepast  naar orale medicatie. Insuline behandeling is daarbij geen eerste keus.

In Nederland zijn (beperkte) epidemiologische gegevens over MODY beschikbaar. Op basis van onderzoek bij ruim 1250 kinderen met diabetes wordt geschat dat bij een percentage van tussen de vijf en tien procent van de behandelde patiënten onder de 18 jaar, MODY als onderliggende oorzaak gevonden wordt2.

Gezien de epidemiologische gegevens die nu beschikbaar zijn voor MODY op de kinderleeftijd, is diagnostiek van MODY ook voor de volwassen geworden patiënt met verdenking op diabetes type 1 van groot belang.

Secundaire diabetes

Onder de secundaire diabetes vallen verschillende aandoeningen die zelf of door behandeling leiden tot (tijdelijke) of definitieve glucose intolerantie. Nu worden deze klinische beelden met insuline óf op basis van meerdere dagelijkse injecties (MDI) óf met insulinepomptherapie (CSII) behandeld. Strikt genomen vallen deze aandoeningen niet onder de diagnose diabetes type 1 als immuun gemedieerde aandoening.

Onder de bedoelde aandoeningen valt Cystic fibrosis. Deze autosomaal dominante aandoening (50 tot 100 nieuwe patiënten per jaar in Nederland) kent onder andere door een sterk verbeterde behandeling een toegenomen levensverwachting, waarmee de gestoorde glucose tolerantie een steeds groter deel van deze patiënten treft3.

Een tweede groep patiënten bestaat uit patiënten die behandeld zijn met voor de bètacel toxische stoffen, zoals verschillende cytostatica. Hierbij ontstaat (tijdelijke) of blijvende insuline afhankelijkheid.

Een derde groep zijn de patiënten die pancreas chirurgie hebben ondergaan, leidend tot een absoluut tekort aan insuline producerende cellen.

Tot slot gaat het om patiënten die insulineresistent worden door farmacologische doseringen met corticosteroïden (zoals bij auto immuunziekten of astma). Het voorkomen van  een katabole toestand is essentieel, omdat dit gerelateerd is aan verminderde outcome bij deze ziekten.

Voetnoot 1

ISPAD Clinical Practice Consensus Guidelines 2009 Compendium. The diagnosis and management of monogenetic diabetes in children and adolescents. Hattersly et al. Pedetric Diabetes 2009; 10 (Suppl.12) 33-42

Voetnoot 2

Odink RJ, Schot N, Noordam C. Abstract NvK, Nederlands Tijdschrift voor Kindergeneeskunde, 2011.

Voetnoot 3

O'Riordan SM, Robinson D, Donaghue KC et al. Suppl. Management of cystic fibrosis-related diabetes in children and adolescents, Pediatr. Diabetes. 2009, 12:43-50.