Leefstijl

Voeding
Bewegen
Roken

Voeding

De generieke Zorgmodule Voeding beschrijft de algemene norm waaraan voedingszorg dient te voldoen, voor zowel kinderen als volwassenen. De diabetesspecifieke aanvullingen voor volwassenen met diabetes type 2 worden hier beschreven.

Overgewicht komt voor bij tachtig procent van de mensen met diabetes type 2. De nadruk in de dieetadviezen aan patiënten met overgewicht ligt op het bereiken en/of behouden van een gezond gewicht, voldoende lichaamsbeweging en het optimaliseren van het cardiovasculair risicoprofiel. Bij mensen met recent gediagnosticeerde diabetes en overgewicht moet gestreefd worden naar minimaal 5-10% gewichtsreductie. Dit kan gerealiseerd worden door het verminderen van de energie-inname op basis van een individueel samengesteld dieet dat leidt tot verbetering van het eetgedrag. De voeding moet op het individu zijn afgestemd, waarbij rekening wordt gehouden met persoonlijke wensen, culturele voedselvoorkeuren, juiste hoeveelheid energie en eventueel aanwezige comorbiditeit1.

Indien nodig en als de patiënt gemotiveerd is dan is streven naar meer gewichtsverlies mogelijk. Bij patiënten met diabetes en overgewicht is een gecombineerde leefstijlinterventie, gericht op voeding, beweging en gedrag, de eerste behandelkeuze. Het is van belang de patiënt een gezond gevarieerd voedingspatroon aan te leren. Voor mensen met diabetes type 2 en overgewicht vormen een mediterraan voedingspatroon of een matige koolhydraatbeperking voorbeelden van geschikte voedingspatronen. Advisering over de keuze voor een ander voedingspatroon is gebaseerd op de meest recente NDF Voedingsrichtlijn2.

Diabeteszorgverleners dienen bij een verminderde energie-inname en gewichtsverlies of bij een hoger energiegebruik de diabetesmedicatie te evalueren en in overleg met de arts zo nodig aan te passen. De voeding van diabetespatiënten dient te voorzien in de aanbevolen hoeveelheden vitaminen, mineralen en spoorelementen, zoals die gelden voor de algemene bevolking. Aandacht voor de wisselwerking tussen diabetesmedicatie en koolhydraten is noodzakelijk. De maaltijdfrequentie, koolhydraatverdeling en het insuline werkingsprofiel en/of werkingsprofiel van orale glucose verlagende medicatie dienen op elkaar afgestemd te worden. Daarnaast zijn er diverse situaties waarin extra aandacht voor de voeding en/of medicatie noodzakelijk is. Voorbeelden hiervan zijn braken en diarree, gastroparese, eetstoornissen, nierfunctiestoornissen, zwangerschap en zwangerschapswens, sport en bewegen en het gebruik van drink- en sondevoeding. Individuele dieetbehandeling op maat wordt, volgens de NDF voedingsrichtlijn, door een hiertoe specifiek opgeleide professional gegeven; een (minimaal) HBO opgeleide voedingskundige, deskundig op voeding en gedrag in relatie tot ziekten en gezondheid3, indien nodig met voor diabetes specialistische expertise en ingeschreven als Kwaliteitsgeregistreerde in het Kwaliteitsregister Paramedici (KP).

Algemene adviezen over voeding kunnen ook door andere competente functionarissen worden gegeven; zorgverleners met kennis van gezonde voeding en de relatie met (een hoog risico op) chronische ziekten4. Het is van groot belang dat alle, al dan niet gevraagde, voedingsadviezen van diverse zorgverleners aan patiënten wetenschappelijk onderbouwd en niet met elkaar in strijd zijn, maar elkaar juist ondersteunen en versterken. Zorgverleners dienen te werken volgens de meest recente NDF Voedingsrichtlijn bij diabetes. De zorgverlener in de zorgketen met de meeste kennis over voeding dient te worden geraadpleegd bij afwijkende situaties.

Bewegen

Patiënten worden gestimuleerd om voldoende (tenminste een half uur per dag) te bewegen en te werken aan conditieverbetering en -behoud. Ook als dit niet (direct) resulteert in gewichtsverlies, levert het gezondheidswinst op. Regelmatige lichamelijke activiteit conform de Nederlandse Norm voor Gezond Bewegen (NNGB) en een matige tot goede lichamelijke conditie leidt tot minder cardiovasculaire complicaties. Het advies over de wijze waarop patiënten gaan bewegen dient aan te sluiten op hun mogelijkheden, motivatie en dagelijkse routine. Zelfs een kleine toename van lichamelijke activiteit is gunstig. Voor de meeste patiënten met overgewicht en voor veel oudere patiënten zal stevig wandelen, fietsen of zwemmen (matig intensief) het makkelijkst haalbaar zijn. Het beweegadvies komt tot stand in nauwe samenwerking tussen de patiënt, verpleegkundige of arts, diëtist en (indien nodig) de daartoe opgeleide fysiotherapeut/sportfysioloog. Individueel toegespitste beweegadviezen worden altijd op maat en door een hiertoe specifiek opgeleide professional gegeven; een (minimaal) HBO opgeleide beweegexpert, deskundig op het gebied van bewegen en gedrag in relatie tot ziekte en gezondheid en indien nodig met voor diabetes specialistische expertise. Deze expertise hangt samen met een aanbod van interventies gebaseerd op de voor de betreffende beroepsgroep vigerende, meest recente richtlijnen.

De Gezondheidsraad adviseert bij overgewicht en obesitas ten minste zestig minuten matig inspannende activiteit per dag. Bij diabetespatiënten moet daarbij rekening gehouden worden met het bloedglucose verlagende effect van lichamelijke activiteit. Patiënten dienen dan ook educatie te krijgen over de invloed van lichamelijke activiteit op de bloedglucosewaarden zodat medicatiegebruik en voedingsadvies hierop kunnen worden aangepast. Een succesvolle gecombineerde leefstijlinterventie leidt, naast gewichtsverlies op lange termijn, tot een verbeterde diabetesregulatie en verbetering van het cardiovasculair risicoprofiel.

Het advies moet bij volwassenen gebaseerd zijn op de meest recente richtlijn over diabetes en bewegen en de Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB)5.

Roken

Het Partnership Stop met Roken heeft de generieke zorgmodule Stoppen met roken ontwikkeld. Het voornaamste doel van de Zorgmodule Stoppen met Roken is het bevorderen van goede zorg bij stoppen met roken. De zorgmodule heeft als functie het geven van duidelijkheid over wat verwacht mag worden van een stoppen-met-rokenbehandeling en de bijpassende organisatie.

Roken is, ook bij diabetespatiënten, de belangrijkste additionele risicofactor voor hart- en vaatziekten. De patiënt dient hiermee dan ook geconfronteerd te worden vanaf de diagnose en minstens jaarlijks daarna. Bij de controle van volwassen patiënten dient de rokende patiënt op zijn gedrag aangesproken te worden en hulp aangeboden te krijgen bij het minderen of stoppen met roken (www.rokeninfo.nl).

Voor diabetes wordt voorlopig verwezen naar de op roken betrekking hebbende indicatoren uit de NDF set medisch zorginhoudelijke indicatoren.

Voeg toe aan printlijst
Voetnoot 1

CBO. Richtlijn diagnostiek en behandeling van obesitas bij volwassenen en kinderen. Utrecht 2008.

Voetnoot 2

NDF. Voedingsrichtlijn voor diabetes type 1 en 2 versie 1.3. Amersfoort 2015.

Voetnoot 3

Zorgmodule Voeding. Amsterdam. 2012.

Voetnoot 4

Zorgmodule Voeding. Amsterdam. 2012.

Voetnoot 5

Gezondheidsraad. Beweegrichtlijnen 2017. Den Haag